Wettekst concept initiatiefwet

 

Voorstel van wet van de leden van Hijum en Mulder tot wijziging van de wet op het financieel toezicht met het oog op een regelgevend kader voor kredietunies (Wet toezicht kredietunies)

 

VOORSTEL VAN WET

 

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

 

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op het financieel toezicht aan te passen teneinde een regelgevend kader voor kredietunies te scheppen, waarmee de financiering van personen die handelen in hun beroep of bedrijf kan worden gestimuleerd;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

ARTIKEL I

 

De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd:

  1. In de definitie van “bank” wordt na “kapitaalvereisten,” ingevoegd: niet zijnde een kredietunie met zetel in Nederland,.

 

2. In de definitie van “financiële onderneming” wordt, onder verlettering van de onderdelen o tot en met q tot onderdelen p tot en met r, na onderdeel n een onderdeel ingevoegd, luidende:

o. een kredietunie;.

 

3. In de opsomming wordt in de alfabetische volgorde een definitie ingevoegd, luidende:

kredietunie: coöperatie waarvan de leden op grond van hun beroep of bedrijf zijn toegelaten tot het lidmaatschap van de coöperatie, die uitsluitend haar bedrijf maakt van:

a. het aantrekken van gelden van haar leden; en

b. het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen aan haar leden ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van die leden.

 

B

 

De artikelen 2:26a tot en met 2:26g worden vernummerd tot 2:26d tot en met 2:26j.

 

 

 

C

 

De paragrafen 2.2.2A.1 tot en met 2.2.2A.3 worden vernummerd tot 2.2.2B.1 tot en met 2.2.2B.3

 

D

 

Onder vernummering van afdeling 2.2.2A tot afdeling 2.2.2B wordt na afdeling 2.2.2 een  afdeling ingevoegd, luidende:

 

Afdeling 2.2.2A. Uitoefenen van bedrijf van kredietunie

§ 2.2.2A.1. vergunningplicht en –eisen voor kredietunies met zetel in Nederland

 

Artikel 2:26a

Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van kredietunie.

 

Artikel  2:26b

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

  1. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
  2. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
  3. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
  4. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
  5. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
  6. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
  7. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
  8. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
  9. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, h i of j, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

 

 

 

§ 2.2.2A.2 Vrijstelling

 

Artikel 2:26c

Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:26a, eerste lid. Aan deze  gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.

 

E

            In artikel 3:3 wordt na “icbe’s” ingevoegd: , kredietunies.

 

F

            Artikel 3:5, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

  1. In onderdeel d vervalt aan het slot “en”.
  2. De punt aan het slot van onderdeel e wordt vervangen door: ; en.
  3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. kredietunies met zetel in Nederland.

 

G

 

In de artikelen 3:8, eerste lid, 3:9, eerste lid, 3:10, eerste lid, 3:15, eerste lid, 3:16, eerste en tweede lid, 3:17 eerste lid, en 3:18, tweede en derde lid, wordt telkens na  “bank” ingevoegd:, kredietunie.

 

H

 

In artikel 3:18, derde lid, wordt na “banken” ingevoegd: kredietunies.

 

I

Artikel 3:29, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na “bank” wordt ingevoegd: , kredietunie.

2. “2:26b, derde lid” wordt vervangen door: , 2:26b, tweede lid, 2:26e, derde lid.

 

J

 

Na artikel 3:38b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

 

Artikel 3:38c

Een kredietunie met zetel in Nederland heeft een bij ministeriële regeling te bepalen maximale omvang van het totaal aan beheerde activa en een maximaal aantal leden.

 

K

 

Artikel 3:53 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na “elektronischgeldinstelling” ingevoegd : , kredietunie.

2.  in het zesde lid wordt na “clearinginstelling,”ingevoegd: , kredietunie.

 

L

 

Artikel 3:57 wordt gewijzigd als volgt:

 

1. In het eerste lid wordt in de opsomming van financiële ondernemingen in de alfabetische volgorde ingevoegd: – kredietunies;.

2. In het derde lid wordt na “elektronischgeldinstelling” ingevoegd: , kredietunie.

3. In het zesde en zevende lid wordt telkens na “clearinginstelling” ingevoegd:, kredietunie.

 

M

Aan artikel 3:63, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

– kredietunies.

 

N

 

In artikel 3:71, eerste lid, wordt na “bank” ingevoegd:, kredietunie.

 

O

 

In artikel 3:72, eerste lid,  wordt na “elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland” ingevoegd: , kredietunie met zetel in Nederland.

 

P

 

Artikel 3:88 wordt  als volgt gewijzigd:

  1. In het eerste lid wordt na “elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland” ingevoegd: kredietunie met zetel in      Nederland.
  2. In het tweede lid wordt  na “bank” ingevoegd: , kredietunie.

Q

 

Na artikel 4:2d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

 

Artikel 4:2e

Met uitzondering van artikel 4:3 is het ingevolge dit deel bepaalde niet van toepassing op kredietunies waarvan het ingevolge afdeling 2.2.4A is toegestaan in Nederland hun bedrijf uit te oefenen.

 

R

De bijlage bij artikel 1:79 wordt als volgt gewijzigd:

  1. De artikelnummers 2:26a, eerste lid, 2:26c, eerste lid, 2:26d, eerste lid en 2:26f, eerste lid worden vernummerd tot de artikelnummers 2:26d, eerste lid, 2:26f, eerste lid, 2:26g, eerste lid en 2:26h, eerste lid.
  2. In de numerieke volgorde worden de volgende artikelnummers ingevoegd:

2:26a eerste lid

2:26c

 

S

 

De bijlage bij artikel 1:80 wordt als volgt gewijzigd:

  1. De artikelnummers 2:26a, eerste lid, 2:26c, eerste lid, 2:26d, eerste lid en 2:26f, eerste lid worden vernummerd tot de artikelnummers 2:26d, eerste lid, 2:26f, eerste lid, 2:26g, eerste lid en 2:26h, eerste lid.
  2. In de numerieke volgorde worden de volgende artikelnummers ingevoegd:

2:26a, eerste lid

2:26c

 

 

ARTIKEL II

 

            De Wet bekostiging financieel toezicht wordt gewijzigd als volgt:

 

A

 

Bijlage I wordt gewijzigd als volgt:

 

  1. Na de eenmalige toezichthandeling met de code Wft. D1.12 wordt een eenmalige toezichthandeling ingevoegd, luidende:

 

  Wft. D1.12 De behandeling   van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het   bedrijf van kredietunie als bedoeld in artikel 2:26a, eerste lid, van de Wet   op het financieel toezicht. € 10.000,-

 

  1. In de beschrijving van de eenmalige toezichthandeling met de code Wft. D2.01 wordt na “Wft. D1.02” ingevoegd: Wft. D1.12.

 

B

 

            Bijlage II wordt gewijzigd als volgt:

 

In de alfabetische rangschikking van de toezichtcategorieën wordt een toezichtcategorie ingevoegd, luidende:

 

Kredietunies 0,1 % Kredietunies waaraan een vergunning is   verleend als bedoeld in artikel 2:26a. Artikel 2:26a Balansomvang  

 

 

 

ARTIKEL III

Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht kredietunies.

 

 

ARTIKEL IV

 

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

 

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven

 

 

 

 

De Minister van Financiën,

Memorie van Toelichting

 

  1. I.     Algemeen

§ 1. Inleiding

Dit wetsvoorstel beoogt binnen de daarvoor geboden ruimte in de voor banken geldende communautaire regels,[1] te voorzien in een vergunningstelsel voor en doorlopend toezicht op kredietunies.

Een kredietunie is een onderneming die haar bedrijf maakt van het in ontvangst nemen van deposito’s en andere terugbetaalbare gelden van haar leden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen aan diezelfde leden. De leden zijn regionaal- of bedrijfstakgewijs georganiseerde ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf (MKB), die elkaar ondersteunen door middel van het delen van kennis en ervaring en het verschaffen van ondernemingsfinanciering door tussenkomst van de kredietunie.

In tegenstelling tot veel andere landen binnen en buiten Europa, kende Nederland tot voor kort  geen kredietunies en is van een op maat gesneden kader van regels en financieel toezicht voor kredietunies daarom ook geen sprake. Recentelijk hebben ondernemingen in het MKB echter nieuwe initiatieven ontplooid voor de ondernemingsfinanciering van dit marktsegment  en kredietunies zouden in dit kader een innovatieve ontwikkeling kunnen inluiden, ware het niet dat de aard van hun activiteiten met zich brengt dat zij onder het huidige wettelijk kader een vergunning nodig hebben om als bank werkzaam te zijn. De voor banken geldende regels sluiten echter niet aan bij de beperkte aard van de activiteiten van kredietunies. Daarom is het gewenst om belemmeringen in wet- en regelgeving voor het oprichten en functioneren van kredietunies weg te nemen. Hierbij moeten echter de belangen van geldverschaffers en de financiële stabiliteit van kredietunies gewaarborgd blijven.

 

§ 2. Kredietverlening aan het MKB

De groei van de kredietverlening aan ondernemingen is sinds het begin  van de kredietcrisis in 2008 sterk afgenomen. In bepaalde categorieën is zelfs sprake van een absolute krimp. Cijfers van de Stuurgroep Kredietverlening laten zien dat de kredietverlening aan de kleinste ondernemers (leningen tot € 250.000) in de jaren 2010 tot en met 2012 in totaal met 11% is afgenomen (zie de brief van de minister van EZ van 25 juli 2013, Kamerstukken II, 2012-2013, 32 637, nr. 61). Aan de beperkte toegang tot kredietverlening, in het bijzonder voor ondernemingen die behoren tot het MKB, liggen vele en ook uiteenlopende oorzaken ten grondslag. Oorzaak kan zijn een informatie-asymmetrie tussen de vragers en reguliere aanbieders van ondernemingsfinanciering, een hoog risicoprofiel, geringe winstgevendheid, onderscheidenlijk  een geringe omvang van de ondernemingen in kwestie. Uiteraard speelt ook een rol dat de vraag naar bedrijfskrediet door de slechtere economische omstandigheden is afgenomen en dat ook het aanbod ervan wordt beïnvloed door cyclische factoren. Volgens de Nederlandse Bank (DNB) hebben banken de voorwaarden voor het verstrekken van krediet behoorlijk aangescherpt (Kamerstukken II, 2012-2013, 32 637, nr. 49) omdat de banken vanwege het hogere kredietrisico op leningen aan het MKB  voor deze leningen verhoudingsgewijs veel kapitaal moeten aanhouden.

Toereikende middelen voor ondernemingsfinanciering van het MKB is niet alleen op de korte termijn van belang, maar ook op de langere termijn, aangezien  de beperkte kredietverlening de economische ontwikkeling kan schaden. In haar Groenboek Lange termijn financiering van de Europese economie,[2] neemt de Europese Commissie een tekort aan lange termijn financiering voor de economie waar in de Unie. Volgens de Europese Commissie zijn investeringen in bijvoorbeeld onderzoek en ontwikkeling, infrastructuur, technologie en de gezondheidszorg cruciaal voor het stimuleren van de economische groei doordat zij bijdragen aan hogere productiviteit en innovatie, waarbij de financieringsbehoefte van net MKB de bijzondere aandacht van de Commissie heeft. Het MKB heeft volgens de Commissie een belangrijke rol bij het creëren van economische groei, terwijl juist deze bedrijven het moeilijkst aan lange termijn financiering zouden kunnen komen. De Commissie doet daarom verschillende voorstellen voor het verbeteren van de financieringsmogelijkheden voor het MKB, daaronder vergroting van het aanbod van durfkapitaal en het creëren van alternatieve financieringsbronnen voor het MKB.

 

§ 3. De opkomst van kredietunies

Als reactie op de beperkte toegang tot externe bronnen van ondernemingsfinanciering,  zijn inmiddels tal van initiatieven gaande voor oprichting van kredietunies, of zijn zij al opgericht. In alle gevallen gaat het om coöperaties waarbinnen de kredietverlening voor en door leden wordt georganiseerd. De opzet wordt in verschillende  proefprojecten nader uitgewerkt, bedrijfstakgewijs  (onder andere initiatieven van BOVAG en de Nederlandse Brood- en banketbakkers ondernemingsvereniging, NBOV) en  regionaal (Kredietunie Midden-Nederland, Kredietunie  Zeeland). Het kabinet heeft de mogelijke betekenis van kredietunies als alternatieve financieringsbron ook onderkend. Het regeerakkoord stelt dat nieuwe alternatieve financieringsvormen, zoals kredietunies, crowdfunding en MBK-obligaties zullen worden ondersteund, onder meer via van het wegnemen van belemmeringen in de regelgeving (Bruggen slaan, p. 11). Ook het rapport van de Commissie Structuur Nederlandse Banken beveelt aan om de totstandkoming van nieuwe, alternatieve financieringsvormen, zoals
kredietunies, te bevorderen via beleid en regelgeving.

 

§ 4. Belemmeringen in huidige regelgeving

De huidige wet- en regelgeving is te rigide voor alternatieve financieringsvormen zoals kredietunies. Voor het bedrijfsmatig  aantrekken van deposito’s en andere terugbetaalbare  gelden en  het voor eigen rekening verrichten van  kredietuitzettingen, is een bankvergunning op grond van de Wet financieel toezicht (Wft) nodig. Dit betekent dat kredietunies moeten voldoen aan strenge kapitaal-, regulerings- en toezichtvereisten, die niet in verhouding staan tot de geringe omvang en complexiteit van de activiteiten van de kredietunies en hun niet-publieke karakter, beperkt tot ondernemingsfinanciering in regionaal- of bedrijfstakverband. In de praktijk werken kredietunies daarom tot op heden nog met alternatieve bronnen voor de financiering van hun kredietverlening, zoals perpetuele ledencertificaten en vormen van kredietbemiddeling die onder de Wft zijn toegestaan. Deze structuren zijn misschien voor de korte termijn werkbaar, maar bieden geen ruimte om kredietunies echt tot ontwikkeling te laten komen met het aantrekken van opvorderbare gelden.

Het voor banken geldend communautair raamwerk – de richtlijn kapitaalvereisten (nr. 2013/36/EU) en de verordening kapitaalvereisten (EU nr. 575/2013) – onderschrijft het belang dat  kleinschalige bankactiviteiten, blijkend uit overweging 49 van de richtlijn waarin is verwoord dat om in de Unie een duurzame en diverse bankcultuur te verzekeren die in de eerste plaats de belangen van de burgers van de Unie behartigt, kleinschalige bankactiviteiten, zoals die van kredietunies moeten worden aangemoedigd. In  artikel 2 van de richtlijn kapitaalvereisten is in dat verband voorzien in een uitzondering van het toepassingsgebied van de richtlijn voor kredietunies uit een zestal staten van de Unie[3]. Op deze kredietunies wordt toezicht uitgeoefend op basis van een nationaal regime dat door de verschillende lidstaten verschillend is ingevuld en is het voor banken geldend communautair raamwerk niet van toepassing. De tenuitvoerlegging van het met onderhavig wetsvoorstel beoogde nationale regime voor Nederlandse kredietunies, is afhankelijk van de bereidheid van de Europese Commissie om door middel van een uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 146 van de richtlijn kapitaalvereisten te bewerkstelligen dat Nederlandse kredietunies in bedoeld artikel 2 worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn.

§ 5. Doel wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel beoogt heldere kaders te scheppen waarbinnen kredietunies ook in Nederland kunnen worden opgericht en werkzaam zijn. Het voorstel wil daarmee nieuwe initiatieven met betrekking tot ondernemingsfinanciering, in het bijzonder voor het MKB, ruimte geven. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kredietunies met een beperkte omvang en overige  kredietunies. Kredietunies met een, naar omvang van de beheerde activa gemeten, beperkte omvang vormen geen bedreiging voor de stabiliteit van het financiële stelsel, en voor toezicht gericht op het beschermen van de positie van de aan dergelijke kleinschalige activiteiten deelnemende ondernemingen ontbreekt een maatschappelijk belang, zodat onder toezicht stelling achterwege kan blijven. Deze kredietunies zullen bij ministeriële regeling worden vrijgesteld van de in de Wft geïntroduceerde vergunningplicht voor kredietunies. Het voornemen is kredietunies van geringe omvang – de gedachten gaan uit naar kredietunies waarvan het totaal aan beheerde activa niet groter is dan € 10 miljoen – vrij te stellen van het verbod in artikel 2:26a van de wet om zonder een daartoe door DNB verleende vergunning in Nederland het bedrijf uit te oefenen van kredietunie.[4] Voor de overige kredietunies geldt de vergunningplicht en doorlopend prudentieel toezicht, met dien verstande dat in artikel 3:38b van de wet is bepaald dat een kredietunie met zetel in Nederland een bij ministeriële regeling te bepalen maximale omvang van het totaal aan beheerde activa heeft. Het voornemen is deze maximale omvang vast te stellen op € 100 miljoen en 25.000 leden. Ondernemingen waarvan het totaal aan beheerde activa méér bedraagt dan € 100 miljoen of 25.000 leden, behoeven voor de uitoefening van hun werkzaamheden een door DNB te verlenen vergunning om als bank werkzaam te zijn.

De vergunningvoorwaarden en de van toepassing zijnde prudentiële normen voor het doorlopend toezicht op kredietunies sluiten aan bij de voor banken geldende normen, met dien verstande dat zij zijn afgestemd op de aard van het bedrijf van kredietunies.

 

§ 6. Afbakening van kredietunies

Een essentieel onderdeel van de wet betreft de afbakening van het begrip ‘kredietunie’ van het in de verordening kapitaalvereisten verankerde begrippenkader voor banken. Hiermee wordt immers bepaald welke instellingen  en bedrijfswerkzaamheden worden uitgezonderd van het voor banken geldende Europees raamwerk en onder de werking van een nationaal toezichtregime worden gebracht. In essentie zijn kredietunies organisaties van en voor de aangesloten leden – ondernemingen die samen risico en rendement van de kredietunie delen. Deze onderlinge betrokkenheid komt tot uitdrukking in het coöperatieve karakter van kredietunies, het beperkte bedrijfsmodel – ondernemingsfinanciering binnen de kring van aangesloten leden – en het delen van kennis en ervaring door middel van coaching van kredietnemers vanuit de kring van de leden. De onderlinge betrokkenheid en controle wordt minder vanzelfsprekend naarmate de schaal van de kredietunies toeneemt, hetgeen een bepaalde mate van toezicht rechtvaardigt. Bovendien kan op grotere kredietunies toezicht gericht op de soliditeit nodig zijn ter borging van de stabiliteit van de financiële sector. Maar ook in dat geval moet de regulering zijn afgestemd op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de werkzaamheden van kredietunies, hetgeen – gelet op het beperkte bedrijfsmodel van kredietunies – een separaat toezichtregime rechtvaardigt.

 

Een kredietunie is in de eerste plaats een organisatie waarbij tussen de leden een ‘common bond’ bestaat. De definitie van het begrip “kredietunie”  schrijft niet limitatief voor welke aard of intensiteit de onderlinge betrokkenheid tussen de leden moet hebben. De essentie van een kredietunie is dat de leden een gemeenschappelijk belang onderkennen en in dat kader bereid zijn om risico en rendement met elkaar te delen. Dat sprake is van  een ‘common bond’ wordt weerspiegeld in het  coöperatieve verband gericht op ondernemingsfinanciering binnen een kring van ondernemingen behorend tot een bepaalde bedrijfstak of regio. De wet stelt hieraan als eis dat  de leden “op grond van hun beroep of bedrijf zijn toegelaten tot het lidmaatschap van de coöperatie”.

Een kenmerk van kredietunies is verder dat zij een zeer beperkt bedrijfsmodel hebben. Het gaat daarbij om het verrichten van kredietuitzettingen voor eigen rekening aan de leden van de coöperatie, met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke nevenactiviteiten, zoals zekerheden- en contantenbeheer, en de financiering van die kredietuitzettingen door middel van het in ontvangst nemen van deposito’s en andere terugbetaalbare gelden van de leden van de coöperatie. Daarnaast zijn er de reguliere financieringsbronnen door middel van de uitgifte van (leden)participaties en van de financiële instrumenten, die in overeenstemming zijn met hoofdstuk 5.1 van de Wft.

 

§ 7. Toezicht

7.1 Inleiding

Kredietunies met een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a van de wet, worden onderworpen aan  prudentiële eisen die aansluiten bij de aard van hun bedrijf. Het kabinet heeft in haar brief van 11 november 2013 laten weten dat zij een op het beperkte bedrijfsmodel van kredietunies toegesneden toezichtregime gerechtvaardigd acht met het oog op het beschermen van geldverschaffers en (het vertrouwen in) de financiële stabiliteit van de kredietunies, en onderhavig wetsvoorstel werkt dit nader uit. Toepassing van de bedrijfsvoeringregels zal in dat kader afgestemd zijn op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming, zodat de regels in kwestie  aansluiten bij de overzichtelijke aard en schaal van de activiteiten van kredietunies.

Artikel 2:26a van de wet bepaalt dat het een ieder met zetel in Nederland verboden is om zonder vergunning een kredietunie op te richten of in bedrijf uit te oefenen. Een vergunning kan worden verleend door DNB, waarbij de aanvrager moet aantonen dat zal worden voldaan aan eisen met betrekking tot:

–          de geschiktheid en betrouwbaarheid van beleidsbepalers;

–          beleid gericht op een integere bedrijfsuitoefening;

–          het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaald en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

–          de zeggenschapsstructuur;

–          de inrichting van de bedrijfsvoering;

–          het minimum eigen vermogen;

–          de solvabiliteit;

–          de liquiditeit.

 

Geschiktheid en betrouwbaarheid van beleidsbepalers

De dagelijks beleidsbepalers en personen die belast zijn met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de kredietunie dienen geschikt te zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de kredietunie. De betrouwbaarheid van de beleidsbepalers wordt door DNB getoetst aan de hand van de voornemens, handelingen en antecedenten van de betrokken personen.

 

 

Beleid gericht op een integere bedrijfsuitoefening

Een kredietunie dient een op integriteit gericht beleid te voeren en dit beleid in de inrichting van de bedrijfsvoering te verankeren. Kern van dat beleid is dat er strategieën, procedures en maatregelen bestaan om integriteitrisico’s te verminderen en tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf weg te nemen.

 

Minimum aantal dagelijkse beleidsbepalers

Tenminste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van de kredietunie. Het vier-ogen-beginsel waarborgt de continuïteit en kwaliteit van de bedrijfsuitoefening van de kredietunie. Deze personen dienen hun werkzaamheden vanuit Nederland te verrichten, hetgeen betekent dat de kredietunie haar hoofdkantoor in Nederland heeft.

 

Zeggenschapsstructuur

De formele of feitelijke zeggenschapsstructuur mag niet zo ondoorzichtig zijn, dat deze een belemmering vormt voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die kredietunie. De organisatorische structuur met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van een kredietunie kan in de praktijk afwijken van de juridische structuur waarin die activiteiten zijn ingebed, en daardoor een belemmering vormen voor het adequaat uitoefenen van het toezicht.

 

Inrichting van de bedrijfsvoering

Een kredietunie richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere bedrijfsuitoefening waarborgt. De bedrijfsvoering van de kredietunie omvat de volgende aspecten

(1)  Algemene aspecten van bedrijfsvoering;

(2)  Integriteitaspecten

(3)  Prudentiële aspecten, gericht op soliditeit van de onderneming.

 

Minimum bedrag aan eigen vermogen

De kredietunie beschikt over een minimum eigen vermogen van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag. De gedachten gaan uit naar een minimum eigen vermogen van € 500.000.

 

Solvabiliteit

Een kredietunie dient te beschikken over voldoende solvabiliteit. Gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten, gaan de gedachten uit naar de uitsluitende toepassing van een hefboomratio, berekend overeenkomstig artikel 429 van de verordening kapitaalvereisten van 10%, aangevuld met regels met betrekking tot het aanhouden van balansposten of posten buiten de balanstelling, in casu een regeling ter limitering van risicoconcentraties. Toepassing van de vereisten is niet gecompliceerd vanwege de beperkte bedrijfsactiviteiten die kredietunies mogen uitoefenen.

 

Liquiditeit

Een kredietunie dient te beschikken over voldoende liquiditeit. De regeling kan qua systematiek aansluiten bij het voor banken geldende regime ingevolge de richtlijn en verordening kapitaalvereisten, met dien verstande dat de uitwerking eenvoudiger is vanwege het beperkte bedrijfsmodel van kredietunies.

 

7.2. Toezichthouder

Het toezicht op kredietunies zal worden uitgeoefend door DNB. Van gedragstoezicht, uitgeoefend door de AFM, is namelijk geen sprake aangezien de bedrijfswerkzaamheden van een kredietunie gericht zijn op ondernemingsfinanciering, in casu het in ontvangst nemen van deposito’s en andere terugbetaalbare gelden van en het verrichten van kredietuitzettingen voor eigen rekening aan de aan de kredietunie verbonden ondernemingen.

 

§ 8 Gevolgen voor het bedrijfsleven

8.1. Nalevingskosten & administratieve lasten

De gevolgen voor het bedrijfsleven hebben betrekking op de nalevingskosten die met het toezicht zijn gemoeid en uit de (administratieve) lasten die gemoeid zijn met de naleving van de voor vergunninghouders geldende regels inzake de bedrijfsvoering.

De  nalevingskosten bestaan uit administratieve lasten en overige nalevingskosten. Administratieve lasten bestaan uit kosten die het bedrijfsleven moet maken om te voldoen aan de uit de wetgeving voortvloeiende informatieverplichtingen. De overige nalevingskosten bestaan uit de kosten die het bedrijfsleven moet maken om aan de uit de wetgeving voortvloeiende inhoudelijke verplichtingen te voldoen.

De verwachting is dat in de eerste jaren van het toezicht het overgrote deel van de kredietunies een geringe omvang zal hebben waardoor zij vrijgesteld zullen zijn van het toezicht ingevolge de Wft beneden de voor een die geen vergunning. In het eerste jaar van het toezicht zal daarom slechts een enkele kredietunie een vergunning behoeven. Naar schatting zijn de eenmalige overige nalevingskosten als gevolg van leges € 10.000,- per eenmalig aan te vragen vergunning bedragen. De hoogte van deze leges liggen in lijn met de leges die bij de betaalinstellingen in rekening worden gebracht voor de behandeling van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:3a van de wet.

De eenmalige administratieve lasten die zijn gemoeid bij het verstrekken van de voor de behandeling van de vergunningaanvraag benodigde informatie, en het verzamelen en bewaren van deze gegevens zullen naar schatting € 4.000 (2 kredietunies * 40 manuren * € 50) bedragen. De hoogte van deze kosten ligt in lijn met de kosten die in rekening worden gebracht voor de behandeling van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:3a van de wet.

Daarnaast zij er administratieve lasten die voortvloeien uit de ingevolge artikel 3:29, eerste lid, van de wet vereiste melding van relevante wijzigingen. De geschatte lasten zijn vooralsnog nihil.

 

8.2. Bedrijfsvoering

Aan kredietunies die onder de nieuwe vergunningplicht vallen worden regels gesteld met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsvoering. Deze regels zullen in lijn liggen met de voor betaalinstellingen en elektronische geldinstellingen geldende regels. De regels omvatten bepalingen gericht op een integere bedrijfsuitoefening  – omvattende een in de bedrijfsprocessen geïntegreerd integriteitbeleid, en beleid gericht op de acceptatie van cliënten –  alsmede bepalingen gericht op een beheerste uitoefening van het bedrijf – omvattende een adequate interne governance, inclusief interne controlefuncties, alsmede een in de bedrijfsprocessen verankerd beleid gericht op het beheersen van de relevante risico’s, en regels met betrekking tot het uitbesteden van werkzaamheden.

Daarnaast worden de degenen die het dagelijks beleid van de kredietunie bepalen, alsmede de leden van het orgaan – indien aanwezig – dat belast is met het toezicht op de algemene gang van zaken, getoetst op geschiktheid en betrouwbaarheid.

Tevens zullen kredietunies die beschikken over een vergunning onderworpen worden aan bepalingen met betrekking tot de minimum eigen vermogen, vereiste solvabiliteit en liquiditeit. Aangezien de bedrijfswerkzaamheden van kredietunies beperkt zijn tot het in ontvangst nemen van deposito’s  en andere terugbetaalbare gelden en het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen, alsmede daarmee samenhangende nevenactiviteiten, zal het minimum eigen vermogen beperkt zijn en kan het solvabiliteitsregime eenvoudig van opzet zijn – zie ook de voorgaande paragraaf. Gelet op hun beperkte bedrijfswerkzaamheden – het houden van deelnemingen is niet toegestaan – en hun rechtsvorm – van kredietunies en hun rechtsvorm, die inkapseling van kredietunies in groepsstructuren uitsluit, wordt op kredietunies die beschikken over een vergunning uitsluiten toezicht op individuele basis uitgeoefend.

De totale doorlopende toezichtkosten voor het prudentiële toezicht zullen door DNB bij kredietunies in rekening worden gebracht. Deze kosten zullen naar verwachting € 14.000 bedragen, hetgeen in lijn is met de kosten die gemoeid zijn met het toezicht op elektronisch geldinstellingen

 

Artikelsgewijze toelichting

X (artikel 1:1)

Definitie bank

Een kredietunie met zetel in Nederland wordt uitgezonderd van de definitie van bank. Op deze wijze wordt geregeld dat de regels voor banken in de Wft niet van toepassing zijn op kredietunies.

Definitie financiële onderneming

Dit artikel regelt dat een kredietunie een financiële onderneming is in de zin van de Wft.

Definitie kredietunie

Een kredietunie is een coöperatie die gelden aantrekt van haar leden en het voor eigen rekening kredietuitzettingen verricht aan haar leden ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van die leden. Onder het aantrekken van gelden vallen zowel deposito’s en andere opvorderbare gelden, als het niet opvorderbare gelden (bijvoorbeeld perpetuele ledencertificaten). Het is denkbaar dat van een en hetzelfde lid geld wordt aangetrokken en tegelijkertijd krediet wordt verleend, dit is echter allerminst een vereiste. Het aangetrokken geld moet aangewend worden voor het verrichten van kredietuitzettingen, dit neemt niet weg dat een deel van de aangetrokken middelen zal worden gebruikt voor liquiditeitsbeheer (onderdeel c). De wijze waarop dit moet worden ingevuld zal nader worden geregeld in de regels op grond van artikel 3:63.

De leden moeten op grond van hun beroep of bedrijf zijn toegelaten tot het lidmaatschap van de coöperatie. Op deze wijze wordt beoogd om de kring van personen waarvan geld wordt aangetrokken en waaraan krediet wordt verleend af te bakenen. Doel van de wetgeving voor kredietunies is om het mogelijk te maken dat ondernemers in een bepaalde branche of regio zich verenigen in een kredietunie en op deze wijze in de financieringsbehoefte van de aangesloten ondernemers kunnen voorzien. In de statuten van de kredietunies zal worden opgenomen welke ondernemers lid kunnen worden, bijvoorbeeld ondernemers die in een bepaalde branche of regio actief zijn. Kredietunies zijn overigens gebonden aan een maximale balansomvang en een maximaal aantal leden (zie wijzigingsonderdeel X). Hiermee wordt het beperkte karakter van de kredietunies gewaarborgd.

X (artikel 2:26a e.v.)

Dit wijzigingsonderdeel introduceert een nieuwe afdeling waarin de vergunningplicht wordt geregeld voor kredietunies die een bepaalde omvang van het totaal aan beheerde activa te boven gaan. Zoals in het algemeen deel is toegelicht is het de bedoeling om voor de kleinste kredietunies bij ministeriële regeling een vrijstelling te regelen voor kleine kredietunies. Hierbij wordt door de initiatiefnemers gedacht aan kredietunies met totaal aan beheerde activa van ten hoogste € 10 miljoen. Een dergelijke vrijstelling kan worden geregeld op basis van artikel 2:26c. Bij de aanvraag van een vergunning moeten kredietunies aantonen dat zal worden voldaan aan een aantal prudentiële regels.

X (artikel 3:3)

Dit wijzigingsonderdeel zorgt ervoor dat kredietunies kunnen worden vrijgesteld van vereisten in deel 3 (prudentiële vereisten). Zoals in het algemeen deel is toegelicht is de bedoeling om voor de kleinste kredietunies bij ministeriële regeling een vrijstelling te regelen voor kleine kredietunies.

X (artikel 3:5)

Dit wijzigingsonderdeel regelt dat kredietunies zijn uitgezonderd van het verbod in artikel 3:5, eerste lid.

X, X (3:8, 3:9, 3;10, 3:16, 3:16, 3:17, 3:18), X (3:29), X (3:53), X (3:57) X (3:63), X (3:71) en X (3:88)

Deze wijzigingsonderdelen regelen dat de vereisten ingevolge de artikelen 3:8, eerste lid, 3:9, eerste lid, 3:10, eerste lid, 3:15, eerste lid, 3:16, eerste en tweede lid, 3:17 eerste lid. 3:18, tweede en derde lid, 3:29, eerste lid, 3:53, eerste en zesde lid, 3:57, eerste, derde, zesde en zevende lid, 3:63, eerste lid, 3:71, eerste lid, 3:72, eerste lid, en 3:88, eerste en tweede lid, ook van toepassing worden op kredietunies.

X (artikel 3:38c)

Dit wijzigingsonderdeel voegt een nieuw artikel in waarin wordt geregeld dat een kredietunie een maximale balansomvang en een maximaal ledenaantal mag hebben. Indien een van deze grenzen wordt overschreden handelt een kredietunie in strijd met dit artikel. Door de initiatiefnemers wordt gedacht aan een maximale balansomvang van € 100 miljoen en een maximaal aantal leden van 25.000.

X (bijlag 1:79) en X (bijlage 1:80)

Deze wijzigingsonderdelen regelen dat waar nodig de nieuwe artikelen in dit wetsvoorstel worden opgenomen in de bijlagen van de artikelen 1:79 en 1:80. Artikel 1:79 regelt dat de toezichthouder een last onder dwangsom kan opleggen ter zake van een overtreding van de voorschriften, gesteld ingevolge de in de bijlage bij artikel 1:79 genoemde artikelen. Artikel 1:80 regelt dat de toezichthouder een bestuurlijke boete kan opleggen ter zake van een overtreding van de voorschriften, gesteld ingevolge de in de bijlage bij artikel 1:80 genoemde artikelen.

 

 



[1] Het betreft de richtlijn nr. 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (pb EU 2013, L 176).

[2] Brussel, 25 maart 2013, COM(2013) 150.

[3] Dit zijn onder andere Ierland, Polen, het Verenigd Koninkrijk

[4] Deze vrijstelling sluit aan bij de vrijstelling van artikel 2:10a, eerste lid, van de wet voor elektronische geldinstellingen wier financiële verplichtingen in verband met de uitgifte van elektronisch geld gemiddeld niet hoger is dan € 5 miljoen; zie hiervoor artikel 1c van de Vrijstellingsregeling Wft.