Standpunt VSK initiatiefwet Kredietunies

Inleiding

Het wetsvoorstel toezicht kredietunies beoogt ruimte te creëren voor kredietunies in Nederland om op levensvatbare wijze opvorderbare gelden aan te trekken van, en kredieten te kunnen verstrekken aan hun leden ondernemers. Het kunnen aantrekken van opvorderbare gelden van leden is een essentieel verschil met “kredietunies” die op dit moment al actief zijn.
De huidige kredietunies werken vaak op basis van een bemiddelingsmodel of via perpetuele ledencertificaten. Deze modellen kennen enkele nadelen zoals, het risico van een verstrekt krediet komt bij een beperkt aantal leden terecht (bemiddelingsmodel), of leden krijgen hun gelden lastig terug omdat perpetuele ledencertificaten in principe eeuwig durend zijn.
De kredietunie die opvorderbare gelden kan aantrekken kent uiteraard ook risico’s en moet daarom wel aan bepaalde regels voldoen. Voor deze regels is aansluiting gezocht bij regelgeving die van toepassing is op banken (zij het wel in een aangepaste vorm die past bij de aard en risico’s van het business model van een kredietunie).

Hoofdpunten reactie Vereniging Samenwerkende Kredietunies (VSK)

1. De initiatiefwet Kredietunies is een goede stap om levensvatbare kredietunies mogelijk te maken. Kredietunies vormen een broodnodige verrijking van het financiële landschap.
De initiatiefwet geeft kredietunies de mogelijkheid om opvorderbaar geld aan te trekken wat de kansen van kredietunies verruimt. Een kredietunie heeft dan de mogelijkheid om een financiële onderneming te zijn die;
• tegemoet komt aan de vraag naar krediet uit het MKB
• deelnemers voordelen biedt qua risicospreiding per krediet
• deelnemers zekerheid biedt dat de geïnvesteerde gelden ook werkelijk op termijn worden terugbetaald.
De huidige vormen van kredietunies kunnen deze mogelijkheid niet bieden Op dit moment is de enige vorm van een financiële onderneming die aan deze wensen tegemoet kan komen een bank. Een kredietunie is echter geen bank, en heeft een ander risicoprofiel. De strenge toezichtrechtelijke eisen, maken het niet haalbaar om een (kleine) kredietunie als bank in te richten.

2. Een specifiek regime is goed en nodig. De initiatiefwet regelt toezicht op maat, dat aansluit bij toezicht op banken, maar veel meer gericht is op het business model van een kredietunie. Een kredietunie is geen bank en heeft dus ook een ander risicoprofiel dan een bank. Leden van kredietunies zijn ondernemers die geld lenen aan ondernemers. Leden zijn zich niet alleen bewust van de risico’s vanwege hun betrokkenheid maar zijn ook gewend als ondernemer risico’s te nemen. Daarnaast kennen ze de branche of regio waarin ze beleggen en kennen ze zelfs vaak de ondernemers die om krediet vragen. Verder stellen de leden zelf het acceptatiebeleid voor kredieten vast binnen de kredietunie. Dit is een groot verschil ten opzichte van consumenten die hun geld op een spaarrekening zetten bij een bank. Het toezicht op de activiteiten van een kredietunie moet dan ook anders worden vormgegeven dan het toezicht op banken.

3. Passend toezicht dat draagbaar is voor kredietunies is noodzakelijk. Het risico blijft aanwezig dat deze wet leidt tot te zwaar toezicht. De doelstelling van het wetsvoorstel is: heldere werkbare kaders te scheppen waarbinnen kredietunies in Nederland kunnen worden opgericht en werkzaam kunnen zijn, zonder dat een kredietunie direct verplicht is om een bankvergunning te hebben en onder het zware bankentoezicht komt te vallen. Als het toezicht, zoals geschetst op een vergelijkbare wijze wordt ingevuld als het toezicht wat geldt voor een bank mist het wetsvoorstel zijn doel, omdat het dan in de praktijk onmogelijk zal zijn om een kleine kredietunie op te richten. De punten betreffende passend toezicht spitsen zich vooral toe op;
• De eisen voor eigen vermogen, solvabiliteit en liquiditeit praktisch invullen en afstemmen op het bedrijf van kredietunie (lees minder zware eisen dan voor een bank).
• Geen aanvullende eisen op het terrein van informatievoorziening aan de leden (de leden zijn betrokken bij de kredietunie en kennen de doelgroep waaraan de kredieten worden verstrekt).
• Aansluiten bij het Kwaliteitskader Kredietunies van de VSK.

• Passende rapportage eisen aan kredietunies, zodat DNB effectief toezicht kan houden, maar de uitvoering niet leidt tot onnodig hoge administratieve lasten voor een kredietunie,

4. Solvabiliteitseisen moeten draagbaar zijn. Op hoofdlijnen is duidelijk dat een kredietunie een toetsingsvermogen van minstens 10% van de totale, ongewogen risicoblootstelling van de kredietunie moet hebben volgens de initiatiefwet. Een ongewogen solvabiliteitvereiste van 10% is echter aan de hoge kant, zeker gezien de bewustheid van de leden van het risico. 5-6% zou voldoende zijn.

5. In het wetsvoorstel worden informatie eisen gesteld op basis van hoofdstuk 5.1 en artikel 4.19 Wft. Dit is passend en een verdere regeling voor informatievoorziening is niet nodig. Kredietunies trekken enkel gelden aan van leden. Van deze leden mag worden verwacht dat zij weten welke risico’s met deelname gepaard gaan, omdat zij zelf goed weten welke risico’s er zitten aan ondernemen en nauw betrokken zijn bij de kredietunie.
6. De bovengrens voor de vrijstellingen die besproken worden in het wetsvoorstel (vergunningplicht en de prudentiële eisen) kan zonder gevaar voor de stabiliteit van het financiële stelsel verhoogd worden van EUR 10 mln. naar EUR 25 mln. Deze verhoging maakt een meer soepele overgang mogelijk, op het moment dat de kosten samenhangend met een vergunning draagbaar zijn, en de eisen beter passen bij de schaal van de organisatie.

7. De bovengrens van € 100 mln. Die genoemd word voor het specifiek regime is gezien de vormgeving van het toezicht niet noodzakelijk. Omdat het toezicht gebaseerd is op ongewogen kapitaal zal het benodigde regulatory kapitaal evenredig mee groeien met de verplichtingen, waardoor de prudentiële buffer altijd hetzelfde zal zijn. Binnen de Europese unie komt een dergelijke bovengrens ook niet voor voor kredietunies.”

Punten n.a.v. de Nota van toelichting die verder worden uitgewerkt in onderliggende wet- en regelgeving

8. Een beperking van de investering in 1 ondernemer of groep ondernemers van maximaal 2,5% van de portefeuille in verband met het concentratierisico is te streng. Deze beperking moet in onderliggende wet en regelgeving ruimer worden uitgewerkt.
Hoewel het duidelijk is dat door de specifieke kenmerken van een kredietunie (common-bond, alle betrokkenen komen uit specifieke regio of dezelfde beroepsgroep) een kredietunie een relatief groter concentratie risico heeft dan een bank is de vraag of het voorbeeld zoals opgenomen op p.13 van de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken 33949, nr.9) de werkzaamheden van een kredietunie niet te ver beperken.

Feitelijk wordt hierdoor een maximum aan het te verstrekken krediet gesteld van in eerste instantie EUR 150.000 met een uitloop naar EUR 250.000 indien er gebruik mag worden gemaakt van een limietoverschrijding.

Tevens moet niet uit het oog worden verloren dat het concentratierisico ook weer wordt gemitigeerd door de common-bond en de coaching. Het feit dat de kredietunie zelf de branche of regio heel goed kent en bij iedere lening naast geld ook expertise verstrekt, beperkt het risico. Immers door de common bond en het verlenen van expertise heeft de kredietunie een voorsprong op andere kredietverleners (inclusief banken) en kunnen zij beter de risico’s inschatten. Dit mitigerende effect komt in het voorbeeld helemaal niet terug en zou wel meegenomen moeten worden in de bepaling hoe hoog de maximale lening mag zijn die aan één (groep van) ondernemer(s) verstrekt mag worden.

9. De kosten van het doorlopend toezicht moeten draagbaar zijn, de voorgestelde bedragen zijn te hoog en staan niet in verhouding met de te verwachten werkzaamheden voor de toezichthouder.
De kosten voor doorlopend toezicht worden nu gezet op € 20.000,- per kredietunie die vergunning plichtig is. In de gewijzigde Memorie van Toelichting (Kamerstukken 33949, nr.5 p.11) staat nog het volgende: “De totale doorlopende toezichtkosten voor het prudentiële toezicht zullen door DNB bij kredietunies in rekening worden gebracht. Deze kosten zullen naar verwachting EUR 14.000 bedragen, hetgeen in lijn is met de kosten die gemoeid zijn met het toezicht op elektronisch geldinstellingen.” Het is onverklaarbaar waarom de kosten van doorlopende toezicht ineens zoveel hoger zullen zijn. Het kan zijn dat de berekening van de kosten zoals opgenomen in de Memorie van Toelichting een misrekening zijn geweest, maar dan zou een meer uitgebreide toelichting van de basis van de kosten op zijn plaats zijn. Ervan uitgaande dat een medewerker van DNB die toezicht houdt op een kredietunie EUR 60.000 per jaar kost dan zou het betekenen dat een dergelijke medewerker gem. 4 volledige maanden per jaar aan toezicht op één specifieke kredietunie besteed. De doorlopende toezicht kosten lijken gezien het simpele toezicht model wat wordt voorgesteld in het wetsvoorstel (toezicht is namelijk een stuk overzichtelijker dan bij een bank en ook het business model van een kredietunie is vele malen simpeler) veel te hoog.